Wie een schoenenwinkel binnenloopt, ziet al snel door de bomen het bos niet meer. Er zijn schoenen met veel demping, met weinig demping, met extra steun, met een koolstofplaat of met een grof profiel. Toch hoeft kiezen niet ingewikkeld te zijn als je weet waar je op moet letten.
In dit artikel lees je hoe drie factoren de keuze bepalen: de manier waarop je voet afwikkelt (pronatie), de ondergrond waarop je loopt en het doel van je training. Als je die drie op een rij hebt, weet je veel beter welke schoen bij jou past.
Wat pronatie zegt over je voet
Pronatie is de natuurlijke beweging waarbij je voet na de landing iets naar binnen kantelt. Dat is normaal en zelfs nuttig, want zo vangt je voet een deel van de schok op. Bij sommige lopers kantelt de voet echter flink naar binnen; dat heet overpronatie. Bij anderen rolt de voet juist nauwelijks in of zelfs naar buiten, wat supinatie of onderpronatie wordt genoemd.
Je kunt een eerste indruk krijgen door naar de slijtage van je oude schoenen te kijken. Slijt de binnenkant van de zool sterk, dan pronceer je waarschijnlijk meer dan gemiddeld. Slijt vooral de buitenrand, dan wijst dat eerder op supinatie. Een loopanalyse bij een gespecialiseerde winkel of fysiotherapeut geeft een nauwkeuriger beeld.
Neutrale schoenen of stabiliteitsschoenen
Heb je een neutrale afwikkeling of supineer je, dan ben je meestal goed af met een neutrale schoen. Die biedt demping zonder de beweging van je voet bij te sturen. Lopers met overpronatie kiezen vaak voor een stabiliteitsschoen, met steviger materiaal of een geleidend element aan de binnenkant van de zool.
Steun is overigens geen wondermiddel. Comfort blijkt een goede graadmeter: een schoen die bij de eerste passen prettig en natuurlijk aanvoelt, past vaak beter bij je dan een model dat op papier perfect lijkt. Probeer daarom altijd een paar meter te lopen voordat je beslist.
De ondergrond maakt verschil
Loop je vooral op asfalt of klinkers, dan is een wegschoen de logische keuze. Die heeft een relatief vlakke zool met voldoende demping om de harde ondergrond op te vangen. Voor bospaden, duinen en modderige routes is een trailschoen beter geschikt. Die heeft een grover profiel voor grip, vaak een steviger bovenwerk en soms een beschermplaatje tegen stenen en wortels.
Wissel je regelmatig af, bijvoorbeeld tussen fietspaden en onverharde paden, dan kan een hybride schoen uitkomst bieden. Wil je meer achtergrond over verschillende soorten schoenen en andere sportuitrusting, dan vind je reviews en blogs op https://sportartikelenvinden.nl, handig als je modellen naast elkaar wilt leggen.
Je trainingsdoel bepaalt het type
Niet elke training vraagt om dezelfde schoen. Voor rustige duurlopen en herstelrondjes is een goed gedempte trainingsschoen prettig, omdat je benen dan minder te verduren krijgen. Voor snelle intervallen of wedstrijden kiezen veel lopers een lichtere, responsievere schoen die meer terugvering geeft.
Loop je een paar keer per week, dan kan het slim zijn om twee paar af te wisselen. Zo belast je je spieren en gewrichten op net iets andere manieren en gaan de schoenen langer mee.
- Duurloop of herstel: veel demping en comfort
- Tempo en intervallen: licht en responsief
- Wedstrijd: zo licht mogelijk, passend bij je afstand
- Trail: grip, bescherming en stevig bovenwerk
Pasvorm en praktische tips
Hoe goed een schoen technisch ook is, de pasvorm blijft doorslaggevend. Houd ongeveer een duimbreedte ruimte tussen je grootste teen en de neus van de schoen, want je voeten zetten uit tijdens het lopen. Pas schoenen bij voorkeur aan het eind van de dag en neem je eigen hardloopsokken mee.
Let ook op de breedte. Sommige merken vallen smal, andere ruimer. Knelt een schoen bij het passen, dan wordt dat na tien kilometer niet beter. Vervang je schoenen bovendien op tijd: de demping neemt na zo’n 600 tot 800 kilometer merkbaar af.